WAT IS PIJN?
Op deze pagina
Definitie van pijn
De International Association for the Study of Pain (IASP) definieert pijn als volgt:
Een onaangename zintuiglijke en emotionele ervaring die gepaard gaat met een echt of potentieel weefselletsel of die beschreven wordt in termen van een dergelijk letsel.
Pijn is dus veel meer dan een lichamelijke reactie. Het is een complexe, persoonlijke en subjectieve ervaring, beïnvloed door biologische, psychologische en sociale factoren – en daarom vraagt zowel het begrip als de aanpak van pijn om een biopsychosociale benadering.
Wat iemand voelt, is echt – ook wanneer de pijn van buitenaf niet zichtbaar is. Daarom is erkenning van de pijnervaring essentieel.
Acute versus chronische pijn
Acute pijn
Acute pijn ontstaat plots en heeft meestal een duidelijke oorzaak, zoals een letsel, een operatie of een ontsteking. Ze is doorgaans tijdelijk en verdwijnt naarmate het lichaam herstelt. Denk bijvoorbeeld aan een verstuikte enkel, een snijwonde of tandpijn.
Acute pijn heeft een beschermende functie: ze waarschuwt je dat er iets mis is en zet je aan om rust te nemen en het getroffen lichaamsdeel te beschermen.
Chronische pijn
Chronische pijn wordt bij conventie gedefinieerd als pijn die langer dan drie maanden aanhoudt en kan blijven bestaan, zelfs wanneer de oorspronkelijke oorzaak verdwenen is. Ze kan het gevolg zijn van een andere ziekte of aandoening (chronische secundaire pijn), of een aandoening op zich vormen (chronische primaire pijn).
Chronische pijn beperkt zich niet tot een lichamelijke gewaarwording. Ze kan een diepe impact hebben op de stemming, de slaap, de concentratie, de relaties met naasten, en de mogelijkheid om een actief en vervullend leven te leiden.
Voorbeelden van chronische pijn zijn onder andere chronische lage rugpijn, artrose, fibromyalgie, endometriose en aanhoudende pijn na een operatie.
Het biopsychosociale pijnmodel
Het biopsychosociale model werd in de jaren 1970 geïntroduceerd door George Engel als alternatief voor een louter biomedische visie op ziekte. Binnen de pijnzorg wordt dit model vandaag breed erkend.
Het laat toe om pijn te begrijpen, niet als iets dat uitsluitend voortkomt uit weefselschade of een identificeerbare organische oorzaak, maar als het resultaat van een wisselwerking tussen drie grote dimensies: biologisch, psychologisch en sociaal. Deze dimensies beïnvloeden elkaar voortdurend. Zo kan weefselontsteking (biologisch) pijn veroorzaken, vergezeld van stress en angst (psychologisch), die op hun beurt de pijn kunnen verergeren. Onbegrip van de omgeving (sociaal) kan de pijn nog moeilijker draagbaar maken. Deze onderlinge verwevenheid verklaart waarom het belangrijk is dat de aanpak van pijn zich niet alleen richt op het lichaam, maar ook op het mentale en sociale welzijn.
1) BIOLOGISCH
Dit is het aspect waarop de geneeskunde zich lange tijd vooral heeft gericht: de biologische en neurofysiologische mechanismen die bijdragen aan het ontstaan of voortbestaan van pijn. Deze dimensie is fundamenteel, maar ze verklaart op zichzelf niet de volledige pijnervaring.
De voornaamste biologische factoren zijn:
- Een letsel of beschadiging van weefsels – een verwonding, een operatie of een ziekte kan de pijnreceptoren activeren
- Ontsteking – bij een ontstekingsreactie maken weefsels stoffen vrij die de pijnreceptoren gevoeliger en reactiver maken
- Verhoogde zenuwgevoeligheid – beschadigde of overactieve zenuwen kunnen pijnsignalen op overdreven of spontane wijze doorgeven
- Sensibilisatie van het zenuwstelsel – in de loop van de tijd kan het zenuwstelsel als geheel – ruggenmerg en hersenen – overgevoelig worden en pijnsignalen versterken, zelfs zonder actieve weefselschade. Dit is een van de mechanismen die verklaren waarom pijn kan aanhouden lang na het herstel van de weefsels.
- Genetische kwetsbaarheid – genetische factoren kunnen beïnvloeden hoe iemand pijn waarneemt, al is hun exacte rol nog niet volledig begrepen
- Slaap en vermoeidheid – verstoorde slaap verhoogt de pijngevoeligheid, en vermoeidheid vermindert het vermogen van het lichaam om pijn te reguleren
2) PSYCHOLOGISCH
De psychologische dimensie omvat alle mentale en emotionele processen die beïnvloeden hoe pijn wordt waargenomen, geïnterpreteerd en beleefd – en die op hun beurt door de pijn kunnen worden beïnvloed. Pijn is een individuele en subjectieve ervaring. Van nature is ze een signaal dat er iets mis is. Zo vervult acute pijn haar beschermende rol: ze waarschuwt ons en zet ons aan tot actie – de hand van het vuur trekken, rust nemen, hulp zoeken. Maar als pijn aanhoudt, kan dit onophoudelijke alarm zwaar wegen op het emotionele vlak, met angst, verdriet, stress en concentratieproblemen tot gevolg. Dit is volkomen begrijpelijk: chronische pijn doet voortdurend een beroep op de mentale en emotionele draagkracht. Ze kan de levenskwaliteit sterk verminderen. Het is normaal dat pijn ongeruste gedachten oproept, zeker wanneer ze in het verleden al ondraaglijk is geweest.
Stress en emoties beïnvloeden pijn direct. In bepaalde omstandigheden kan stress pijn verminderen – denk aan iemand die bij een ernstig ongeval pas achteraf pijn voelt. Maar stress en emoties kunnen pijn ook versterken, vooral wanneer er onzekerheid bestaat over de oorzaak of over wat er aan gedaan kan worden. Onze hersenen onthouden ook intense pijnervaringen uit het verleden, waardoor het pijnsysteem gevoeliger kan worden.
Twee personen met hetzelfde letsel kunnen een heel verschillende pijnervaring hebben. Een beter begrip van de eigen pijn kan de pijn omgekeerd helpen verminderen.
Psychologische factoren die pijn beïnvloeden:
- Gedachten over pijn – gedachten zoals “dit gaat nooit over” of “er moet iets ernstig zijn” kunnen een toestand van ongerustheid en waakzaamheid in stand houden die de pijnperceptie versterkt
- Angst, stress of depressie – deze emotionele toestanden kunnen de gevoeligheid van het zenuwstelsel voor pijn verhogen
- Eerdere pijnervaringen – een intense pijnepisode laat een spoor na in het zenuwstelsel, waardoor het pijnsysteem gevoeliger kan reageren op latere ervaringen
- Copingstrategieën – de manier waarop iemand met pijn omgaat, beïnvloedt de impact ervan; sommige strategieën kunnen de pijn verergeren, andere verlichten
- Aandacht voor pijn en de betekenis die eraan wordt gegeven – focussen op pijn versterkt ze doorgaans; haar een minder bedreigende betekenis geven kan ze daarentegen verminderen
3) SOCIAAL
De sociale dimensie omvat alle factoren die verband houden met de omgeving, de relaties en de levenscontext, en die beïnvloeden hoe pijn wordt beleefd – en die op hun beurt door de pijn kunnen worden beïnvloed. Het verschil met acute pijn is dat chronische pijn niet verdwijnt: ze dringt zich onvermijdelijk op in alle relaties en alle aspecten van het dagelijks leven. Leven met chronische pijn is zoveel meer dan proberen de pijn zo goed mogelijk te hanteren in de dagelijkse activiteiten.
Veel mensen met chronische pijn ondervinden moeilijkheden om te blijven wie ze zijn voor hun omgeving. Sommigen kiezen ervoor niets over hun pijn te zeggen. Voor de omgeving is het niet altijd gemakkelijk om de pijn te begrijpen, noch wat wel en niet mogelijk is. Mensen met chronische pijn worden heel vaak geconfronteerd met onbegrip of ongeloof, zelfs in de zorgverlening. Sociaal isolement of zich emotioneel alleen voelen te midden van anderen is niet zeldzaam.
Ook het professionele leven kan diepgaand worden beïnvloed. Sommige mensen moeten hun manier van werken aanpassen, hun arbeidstijd verminderen of volledig stoppen, wat financiële moeilijkheden en een belangrijk verlies van sociale rol met zich kan meebrengen. Omdat werk vaak een bron is van zingeving, structuur en sociale verbinding, kan het verlies of de vermindering ervan het isolement vergroten en op het zelfbeeld wegen.
Een goede sociale steun daarentegen – van de partner, de familie, vrienden, de werkomgeving of de zorgverleners – kan een groot verschil maken. Geloofd worden in de pijn neemt zelftwijfel weg en opent de weg naar een betere omgang met pijn.
De voornaamste sociale factoren zijn:
- Steun of onbegrip vanuit de omgeving – zich begrepen en geloofd voelen vermindert emotioneel leed en bevordert een betere omgang met pijn; ongeloof kan het lijden daarentegen verergeren
- Werk, school en financiële moeilijkheden – chronische pijn kan het vermogen om te studeren of te werken aantasten, met gevolgen voor inkomen, sociale rol en zelfbeeld
- Culturele overtuigingen rond pijn – afhankelijk van de cultuur kan pijn anders worden beleefd, uitgedrukt, erkend en behandeld
- Zorgervaringen – niet geloofd worden door zorgverleners is een veelvoorkomende en bijzonder moeilijke ervaring, die ernstige negatieve gevolgen kan hebben voor het zorgtraject en de vertrouwensrelatie met de zorg
- Gevoel van sociale verbondenheid of isolement – sociale banden onderhouden, ook al zijn ze beperkt, speelt een beschermende rol bij chronische pijn
ALLE DIMENSIES TELLEN
De drie dimensies – biologisch, psychologisch en sociaal – werken niet onafhankelijk van elkaar: ze beïnvloeden elkaar voortdurend en versterken elkaar. Het is die wisselwerking die het model zijn kracht geeft, niet de loutere optelling van de drie. Bovendien is deze wisselwerking dynamisch: het relatieve gewicht van elke dimensie kan evolueren doorheen de tijd, afhankelijk van de omstandigheden, de levensloop en de evolutie van de pijn zelf. Geen enkele dimensie volstaat op zich om pijn te verklaren, en geen enkele mag worden verwaarloosd ten voordele van de andere. Een onevenredig groot gewicht toekennen aan psychologische factoren ten koste van biologische factoren is even eenzijdig als het omgekeerde, en kan bijkomend leed veroorzaken.
